de Vlaamse woorden met een F
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
farceren
vullen
fazelen
smoezen, fluisteren
femelen
vroom praten op een zeurende manier
festijndisch
feesttafel
festoen
slinger, guirlande van groen en bloesems of vruchten
fleemen
zoetig vriendelijk praten, mooipraten
flericijn
jicht, reuma
flikken
oplappen; klaarspelen
flooien
'flikflooien' = met baatzuchtige bedoelingen vleien
fluks
snel
foliant
groot boek
foor
kermis, jaarmarkt
frak
jas
frisuur
kapsel