een artikel uit Volk en vaderland

„KATHELIJNE CLAES”

Een nieuw boek van Jan H. Eekhout

Hoe ver mag men gaan bij het ontleenen van motieven?

De Historie van Kathelijne Claes van Sluys in Vlaanderen heet het nieuwe boek van Jan H. Eekhout dat dezer dagen bij de uitgeverij Nenasu is uitgekomen. Het boek doet ons meermalen herinneren aan een sprookje, maar bovenal herinnert het verhaal ons aan De Costers Uylenspiegel. Zooveel is aan Costers verhaal ontleend, dat men zich kan afvragen of hier de grenzen van het geoorloofde bij de ontleening niet zijn overschreden.

Het is niet de eerste keer, dat die vraag gesteld is naar aanleiding van Eekhouts werken. Eenige jaren geleden verscheen „Het hart van Holland een keur uit onze historische zee-lyriek”, in welk boek Eekhout op zeer vrijmoedige wijze gebruik gemaakt had van de bestaande driedeelige verzameling van Scheurleer „Van varen en vechten”; zoo werden b.v. zonder meer de verklarende voetnoten overgenomen. Dan de geschiedenis met „Pastoor Poncke”. In het Vaderland besprak G.H. 's Gravesande eenige boeken van den toen met den Meesterprijs bekroonden auteur en toonde aan, dat zeer veel van Pastoor Poncke is ontleend aan Teirlincks „Mijnheer Serjanszoon” en vooral aan het boek van A. Wesselski „Der Hodscha Nasreddin”. Uit dit laatste boek werden heele passages met slechts kleine wijzigingen en naamsveranderingen in Pastoor Poncke overgenomen. 's-Gravesande kwam tot de conclusie, dat Eekhout bij de ontleening van motieven de grenzen van het geoorloofde had overschreden.

„Een „plagiarius” was bij de Romeinen een „menschenroover”, een „zielenroover”. Wij beschaafde Nederlanders, die voor iets ergs meestal een vreemd woord bezigen (wij zijn nu eenmaal humanisten, d.i. humane lieden), verstaan onder plagiaat: diefstal van geestelijke eigendommen. Dezer dagen las ik in een Zondagavondblaadje een verhaal over een handige dame, die een verliefd jongmensch oplichtte voor een hotelrekening. Dat verhaal had ik als een gelezen. Zie: dat is nu „plagiaat”. Men naast het eigendom van een ander en zet er zijn naam onder. Destijds schreef P.N. van Eyck een gedicht „De tuinman en de dood”, een voortreffelijk gedicht, dat in poëtischen vorm een Perzisch verhaal weergaf. Was dat plagiaat? Neen, ofschoon het best even vermeld had kunnen worden. Maar het lag er zoo dik op, iedere ingewijde kon het begrijpen. Toen vroeger vooraanstaande dichters de Perzische kwatrijnen ontdekten en het den schijn aanvankelijk had, alsof zij Perzisch kenden en regelrechte verkenningstochten hadden gemaakt in de Perzische literatuur, bleek later, dat zij alleen maar Engelsche vertalingen van die Perzen gelezen hadden. Plagiaat van ontdekkingen? Het gaat ons eigenlijk niet aan, de Nederlandsche bewerkingen, poëtisch ten diepste ervaren, waren prachtig. Wat raakt het ons, of de Engelschen al dan niet middelaars waren.

Ons Middeleeuwsche lied bloeide als nooit nadien, ook in Hoofts en onzen tijd was de rijkdom niet grooter. En toch, hoe dikwijls roofden de argelooze Middeleeuwers bij anderen! Het geestelijk lied nam bewust van het wereldlijke over, maar de wereldlijke dichters onder elkaar — zij waren trouwens alle naamloos — kenden geen genade. Desondanks ontmoet men prachtige liederen met dezelfde motieven, dezelfde regels.

De dichters zongen op kinderlijke wijze, en wisten zij veel van wat anderen gezongen hadden? Het ging toen alles zoo eenvoudig toe.

Het is als in Gorters Mei: een jongen loopt zoo maar te fluiten, omdat het voorjaar is. Is die jongen zich er bewust van wat hij fluit? Het zal wel een melodie zijn, die in zijn geheugen bleef hangen. Zoo gebeurde het mij eens, dat ik op de piano ouvertures van oude Fransche opera’s zat te spelen. Een huisgenoot, die blijkbaar niets anders te doen had dan te luisteren, zei tegen me: „Zeg, zit jij … te spelen?”. En hij noemde een bekenden zanger van onze dagen. Inderdaad was er veel overeenkomstigs. Die zanger heeft dus waarschijnlijk Fransche wijzen, welke in zijn geheugen hingen, weergegeven. Plagiaat? Tijdens de Renaissance daagde het denkbeeld van de oorspronkelijkheid. Shakespeare evenwel ontleende veel motieven aan anderen. Vondel keek den heelen bouw van zijn drama af van de Grieken, en de stof putte hij uit den Bijbel, zoo letterlijk, dat hij er last van had. Hoofts „Granida” b.v. doet in vele opzichten denken aan „Il pastor fido” van den Italiaan Guarini. Bredero gapte maar raak vooral bij de Spanjaarden. Het heele verhaal uit zijn beroemden „Spaanschen Brabander” is oorspronkelijk Spaansch.”

„Voksche kunst”, zeide Mirande voorts, „kan zich niet storen aan oorspronkelijkheidseischen, daarvoor heeft ze veel te veel haast. Ze wil voor en door het volk wezen in den kortst denkbaren tijd. Daarom zullen er veel oude motieven, heele bekende zinsneden zelfs, verwerkt worden in kunstwerken van onze bewogen dagen. Hoofdzaak zij, dat er desondanks een boek, een drama, een epos ontstaat, hetwelk het volk opstuwt tot zuiverder en belangrijker leven.” Mirande was dus van meening dat aan Eekhout ten onrechte het verwijt van plagiaat was gemaakt. Wel ontleende Eekhout motieven aan anderen, maar desondanks werden zijn werken goede volkse boeken volgens Mirande.

En nu ligt voor ons het nieuwe boek van Eekhout „Kathelijne Claes”. Deze namen Kathelijne en Claes roepen dadelijk herinneringen op aan Uylenspiegel en die herinnering wordt nog versterkt door het plaatje dat buitenop het boek prijkt, namelijk een jonge vrouw op den brandstapel. Bij het lezen van Eekhouts boek vervagen de figuren van De Costers meesterwerk niet, integendeel, zij komen ons steeds scherper voor den geest. De geschiedenis van Kathelijne uit Uylenspiegel is als het ware uit dat boek gelicht en opnieuw verteld. In het boek van De Coster treffen wij een „uitzinnige” vrouw Kathelijne genaamd, aan. Zij heeft, hoewel zij ongehuwd is, een kind, dat, zooals wij aan het einde van het boek vernemen, van een adellijken vader is. De Kathelijne uit Uylenspiegel kunnen wij vergelijken met Moeie Margriete uit het boek van Eekhout. Ook Moeie Margriete is een „uitzinnige” vrouw. Zij heeft een meisje, Kathelijne genaamd, dat weliswaar niet haar eigen dochter is, maar dat toch door een ieder als zoodanig aangezien wordt. Ook dit meisje blijkt, evenals Nele uit Uylenspiegel, van een voornamen vader. Zoowel De Costers Kathelijne als Eekhouts Moeie Margriete houden zich met toovenarijen en waarzeggerijen bezig. Beiden houden er een geheimzinnigen duivelschen minnaar op na, in beide gevallen Hans genaamd; beiden worden van ketterij beschuldigd. De Costers Kathelijne komt wel evenals Eekhouts Moeie Margriete in de folterkamer, maar het einde van deze vrouwen is in zooverre verschillend, dat de eerste wegens ketterij in het water wordt geworpen en dat de tweede op den brandstapel haar leven eindigt.

Naast deze groote overeenkomsten zijn er natuurlijk ook groote verschillen. Moeie Margriete is ondanks de groote overeenkomst toch niet zonder meer een copie van Kathelijne uit Uylenspiegel. En tusschen de dochters Nele en Kathelijne zijn ook groote verschillen. Rogier is zeker geen Thijl. Kathelijne Claes is de hoofdfiguur uit Eekhouts boek, Nele is in zekeren zien een bijfiguur. Maar toch blijft de overeenkomst tusschen Eekhouts werk en dat van De Coster opvallend, hinderlijk opvallend. Plagiaat is een groot woord en wij willen dit woord dan ook in dit verband niet gebruiken, maar toch zijn wij van meening dat Eekhout de grenzen van het geoorloofde bij de ontleening in zijn nieuwste werk wel heeft bereikt.

De historie van Kathelijne Claes is overigens een aardig boekje. Een simpel verhaal van een meisje, een eenvoudig meisje en een zoon van voorname ouders die elkander lief hebben, maar die niet tot een huwelijk kunnen komen omdat de ouders van den jongen man zich daartegen verzetten. Als de jonge man vrij plotseling sterft heet hij betooverd te zijn door Moeie Margriete en Kathelijne. Het einde van deze twee vrouwen is dan gemakkelijk te raden.

Het oude gegeven van „Daar waren twee koningskinderen, die hadden malkander zoo lief” is hier opnieuw behandeld. Op verdienstelijke wijze, al hebben wij dan ook eenige bedenkingen.

HENK PLAIZIER